ECVO

ECVO-onderzoek, het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen
Een groeiend aantal rasverenigingen stelt al sinds jaren het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen verplicht voor honden waarmee wordt gefokt. Dit oogonderzoek wordt in Nederland uitgevoerd door verschillende dierenartsen. Een lijst daarvan is te vinden op de website van de Raad van Beheer. Naast het onderzoek bij individuele honden, dat meestal in een dierenkliniek plaatsvindt, organiseren rasverenigingen ook bijeenkomsten waarbij grotere groepen honden worden onderzocht. De registratie van de uitslagen is in handen van de W.K. Hirschfeldstichting.

Om welke afwijkingen gaat het?
Bij het onderzoek wordt gezocht naar alle afwijkingen waarvan een erfelijke basis bekend is. Het ‘rapport oogonderzoek’ vermeldt 16 afwijkingen bij naam. De belangrijkste worden hieronder genoemd.

Retinadysplasie (RD) Dit is een aangeboren netvliesafwijking. Hierbij zijn er plooitjes in het netvlies. Het aantal kan beperkt zijn (focale vorm), maar ook meer uitgebreide vormen komen voor (geografische en totale vorm). In de laatste gevallen is er sprake van beperking van het gezichtsvermogen. De afwijking komt bij meerdere rassen voor.

Cataract (congenitaal) Dit is aangeboren grauwe staar. Reeds bij de jonge pup zijn troebelingen in de lens zichtbaar, die het gezichtsvermogen kunnen belemmeren.

Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV) De afwijking komt vooral voor bij de Dobermann. Er worden 6 gradaties onderscheiden. Bij deze aangeboren afwijking vertoont de lens pigmentstippeltjes (graad 1) waarvan de hond geen last heeft, of ernstiger afwijkingen (graad 2 t/m 6) waarbij de lens troebel en misvormd is en de hond op jonge leeftijd blind wordt of reeds blind wordt geboren.

Membrana Pupillaris Persistens (MPP) Een aangeboren afwijking waarbij restanten aanwezig zijn van weefsel dat normaal kort na de geboorte verdwijnt. De afwijking kan in zeer lichte mate voorkomen, zonder gevolgen voor het gezichtsvermogen. In ernstiger gevallen zijn er wel nadelige gevolgen. Bij o.a. de Petit Basset Griffon Vendéen is de afwijking bewezen erfelijk. Bij veel andere rassen is het (nog) niet bewezen.

Collie Eye Anomalie Dit komt vooral voor bij de Schotse Herdershond en in mindere mate bij de Shetland Sheepdog, de Border Collie en de Bearded Collie. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kunnen zijn. De ernst van de afwijking bepaalt de mate waarin het gezichtsvermogen is aangetast.

Cataract (niet-congenitaal) Het gaat hierbij om jeugdstaar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is wat misleidend. Bij veel rassen treedt het op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.

Goniodysplasie Een aangeboren afwijking van de afvoer van het kamervocht (het vocht in de ruimte tussen het hoornvlies en de iris). Een klein percentage van de honden met deze afwijking ontwikkelt glaucoom (hoge oogdruk) De afwijking komt bij veel rassen voor. In Nederland is het vooral bij de Bouvier bekend. Het onderzoek naar goniodysplasie is geen standaard onderdeel van het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen.

Entropion Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar binnen draait. Het komt bij veel rassen voor.

Distichiasis/Ectopische Cilie Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere plaatsen zoals in de bindvliezen. De haartjes kunnen door constante irritatie beschadigingen van het hoornvlies geven. Het komt voor bij meerdere rassen.

(Primaire) Lensluxatie Het loslaten van de lens. Komt vooral voor bij kleine Terriers en treedt meestal op rond de 4-jarige leeftijd. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.

Retinadegeneratie of Progressieve Retina Atrofie (PRA) Dit is een netvliesafwijking die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. Het begint meestal met slecht zien in het donker (nachtblindheid) en leidt uiteindelijk na enkele jaren tot volledige blindheid. Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan, waardoor het voor vele rassen mogelijk zal zijn PRA met behulp van DNA-technieken op te sporen.

Vanaf welke leeftijd moet een hond worden onderzocht?
Dat bepaalt de rasvereniging. In veel gevallen wordt tussen de 15 en 18 maanden begonnen met het onderzoek. Voor CEA, MPP, PHTVL/PHPV en Retina Dysplasie is nestonderzoek mogelijk na het plaatsen van de chip.

Waarom moet er jaarlijks worden onderzocht?
Een aantal afwijkingen (bijvoorbeeld lensluxatie, cataract, PRA) ontstaat pas na enkele jaren. Een eenmalige test is dan niet voldoende, de afwijking kan zich immers nog later openbaren.

Tot welke leeftijd moet een hond worden onderzocht?
Ook dit wordt door de rasvereniging bepaald. Bij rassen waarvan bekend is dat nog op hoge leeftijd erfelijke oogafwijkingen naar voren kunnen komen, zal onderzocht moeten worden zolang de hond nog nakomelingen produceert.

Hoe verloopt het oogonderzoek?
Om het hele oog goed te kunnen bekijken worden oogdruppels toegediend waardoor de pupil open gaat staan. De druppels werken na ongeveer 20 minuten, de pupil blijft daarna circa 4 uur wijd. De hond wordt in een verduisterde ruimte bekeken. Vóór het onderzoek wordt het ‘rapport oogonderzoek’ ingevuld en ondertekend door de eigenaar/houder, waarmee deze toestemming geeft om de uitslag door te geven aan de W.K. Hirschfeldstichting. De Stichting geeft de uitslag door aan de rasvereniging als er een overeenkomst tussen deze twee partijen is. Ook wordt voor het onderzoek de identificatie (tatoeage of chuip) van de hond gecontroleerd.

Het oogonderzoek gebeurt zonder enige sedatie (‘roesje’) en is beslist niet pijnlijk.
De uitslag is meteen bekend en wordt op het ‘rapport oogonderzoek’ vermeld.

Betekenis van de uitslag
‘Vrij’: het dier vertoont geen verschijnselen van de aangegeven erfelijke oogziekte. Let op, dit betekent niet dat het dier de afwijking niet kan doorgeven aan de nakomelingen. Het kan een drager zijn. Ook is het niet uit te sluiten dat het dier de afwijking later alsnog kan krijgen.

‘Niet vrij’: het dier vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte.

‘Twijfelgeval’: zeer geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende specifiek. ‘Twijfelgeval’ betekent niet dat de onderzoeker het niet weet! Er zijn wel degelijk afwijkingen van het normale beeld bij de hond aanwezig, maar ze zijn niet duidelijk genoeg aanwezig om de hond ‘niet vrij’ te verklaren.

‘Voorlopig niet vrij’: Geringe afwijkingen passend in het klinisch beeld van de oogziekte. Voortschrijden van het proces moet dit bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond opnieuw beoordeeld.

Wat moet u meenemen voor het onderzoek?
De hond en de stamboom. Bij het onderzoek van een nest de stamboom van de moederhond en de formulieren die door de Raad van Beheer zijn uitgereikt (o.a. aanvraag stamboom).