NIERONDERZOEK

Af en toe wordt er bij de Collieclub gemeld dat, soms verwante, dieren overleden zijn aan de gevolgen van een ernstig gestoorde nierfunctie. Om een beter idee te kunnen krijgen van de werkelijke omvang en de (mogelijke erfelijke) aard van deze problemen, willen wij als Collieclub zoveel mogelijk gegevens gaan verzamelen, om op basis daarvan onderzoek (te laten) uitvoeren.

Tot op heden is er echter nog onvoldoende duidelijkheid over de precieze oorzaak van het nierfalen en om te weten of het hier een erfelijke aandoening betreft, is aanvullende informatie hard nodig. Alleen met uw informatie en uw hulp kunnen wij proberen hier verder onderzoek naar te (laten) doen; de medewerking van zoveel mogelijk eigenaren is hierbij onmisbaar.

Wij roepen dan ook alle leden en niet leden op om informatie te sturen over stamboomhonden die momenteel lijden aan nierproblemen of hier al aan overleden zijn. De informatie moet bestaan uit; alle gegevens van uw hond (kopie van de stamboom) en enkele gegevens van uzelf. Officiële resultaten van onderzoeken bij de dierenarts en/of specialist van minstens het urineonderzoek en het bloedonderzoek en evt. verdere onderzoeken die gedaan zijn, zijn uiteraard zeer relevant om mee te sturen.

U kunt het speciaal daarvoor bestemde ‘Gezondheidsformulier Schotse Herdershond’ opsturen naar secretaris@collieclub.nl onder vermelding van het subject ‘Nieronderzoek Schotse Herdershond’.
Alle informatie wordt vertrouwelijk behandeld. Mocht u vragen hebben over dit onderzoek, neem dan contact met ons op secretaris@collieclub.nl

Om zo snel mogelijk een beeld te krijgen van de omvang van het probleem, verzoeken we u om de gegevens die u al heeft voor 1 augustus op te sturen. Het onderzoek zelf loopt echter ook na 1 augustus door. Heeft u na deze datum nog nieuwe informatie dan kunt u deze altijd insturen.

Door de Universiteit van Utrecht wordt op dit moment een onderzoek bij honden gedaan wat het proces van het nierfalen mogelijk zou kunnen vertragen.
Bij dit onderzoek zijn niet alleen Collies betrokken, maar ook andere rassen. Dit onderzoek is een zogenaamd dubbelblind onderzoek wat wil zeggen dat zowel de specialist als de eigenaar van de hond niet weet of ze het nieuwe geneesmiddel of een placebo krijgen.
Alle onderzoeken (urine, bloed, bloeddrukmeting en indien nodig een echo) worden vergoedt door de Universiteit.
Heeft u een hond die op dit moment vastgestelde nierproblemen heeft en wilt u aan dit onderzoek meewerken of er meer over weten dan graag opsturen naar secretaris@collieclub.nl

Wat doen nieren?
Een goede nierfunctie is noodzakelijk voor een goede kwaliteit van leven. Ongewenste (afval) stoffen worden via de nieren en urinewegen uitgescheiden. Daarnaast spelen nieren een belangrijke rol voor het op orde houden van o.a de vochtbalans, het regelen van de mineraal- en de hormoonhuishouding en het op peil houden van de bloeddruk. Om al deze functies goed te kunnen uitvoeren hebben de meeste dieren twee nieren.
Ieder nier bestaat weer uit heel veel functionele eenheden(nefronen) die steeds uit verschillende onderdelen bestaan; een zeefstructuur (glomerulus) en een buizenstelsel (tubulus). Daarnaast dient het geheel natuurlijk een goede samenhang te hebben en is de architectuur van de nier en afvoerende urinewegen ook heel belangrijk.

Onder normale omstandigheden is er ruim voldoende (zelfs over-) capaciteit om alle functies te garanderen. Bij een verminderde functie van de nieren zullen daarom niet direct duidelijke symptomen optreden. Belangrijk is om te weten dat uw huisdier pas verschijnselen gaat vertonen als 2/3 van de nierfunctie onherstelbaar verloren is. Afhankelijk van de aard (welk onderdeel van de nier is het meest beschadigd) en de ernst (hoeveel van beide nieren is beschadigd) kunnen uiteenlopende verschijnselen opgemerkt worden.
De eerst symptomen zijn zo weinig opvallend dat ze gemakkelijk over het hoofd gezien kunnen worden. Eigenaren vertellen vaak als het dier al onder succesvolle behandeling is dat het dier al veel langer minder enthousiast met spelen was, hetgeen voorheen aan de leeftijd of het karakter van het dier werd toegeschreven. Gemakkelijk herkenbare verschijnselen zoals; meer drinken dan normaal, afwijkend plassen, minder of slechte eetlust, slechte adem, vermageren, minder actief, braken en/of diarree, uitdroging of soms zelfs een bolle buik door vochtoverlast, treden in de regel pas op als de ziekte al ver gevorderd is.

Deze verschijnselen zijn zeker niet specifiek; ze kunnen weliswaar samen hangen met nierfalen, maar ook ziekten van andere organen kunnen soortgelijke verschijnselen veroorzaken.

Een verminderde nierfunctie betekent niet altijd een beschadiging van het nierweefsel!
Er zijn helaas nogal wat redenen waardoor de nierfunctie, tijdelijk of blijvend, verminderd zijn. Behalve aandoeningen die de nier zelf beschadigen, kan de oorzaak ook buiten de nier liggen, bijv. als een dier ernstig uitgedroogd is of als de afvoer van urine verhinderd wordt (denk aan een kapotte blaas of verstopte plasbuis). Hoewel deze aandoeningen ernstig zijn, is bij een tijdige en adequate behandeling de prognose uitstekend en kan restloos herstel van de nieren optreden.

Ziekten van de nieren zelf kunnen ook heel verschillend van aard zijn. Zo zijn er bepaalde stoffen die specifiek de nieren kunnen beschadigen (berucht voorbeeld is een vergiftiging met antivries). Soms is een infectie de oorzaak; denk aan een nierbekkenontsteking, bij honden vaak als complicaties van een blaasontsteking. Ook voor deze aandoeningen geldt dat specifieke therapieën en soms herstel mogelijk zijn, mits het niet te lang geduurd heeft.
In geval van aangeboren en/of erfelijke afwijkingen is meestal niets aan de oorzaak te doen en er zijn veel gevallen waar het niet mogelijk is een oorzaak te vinden.
Als een belangrijk deel van de nieren definitief verloren is gegaan, kan alleen al daardoor de ontsteking blijven bestaan, ook al is de oorzaak verdwenen. Door de nauw samenhang beschadigen ook andere onderdelen, vallen uiteindelijk hele nefronen uit en die worden vervolgens door littekenweefsel vervangen. Er ontwikkelt zich dan een zogeheten “chronische nierziekte”. Zelfs in deze gevallen is het zeker niet (altijd) hopeloos. Afhankelijk van de resterende nierfunctie en het effect van een symptomatische therapie is verrassend vaak een heel acceptabel leven mogelijk.

Hoe kan meer zekerheid over de nierfunctie van een hond verkregen worden?
Mocht u in het bovenstaande zaken herkennen die ook betrekking hebben op uw eigen hond, neemt u dan contact op met uw eigen dierenarts. Daar kan beoordeling van de lichamelijke conditie en, indien nodig, een eerste indruk door middel van een laboratoriumonderzoek gedaan worden. Afhankelijk van de resultaten kan dan een verder plan gemaakt worden met betrekking tot behandeling en/of verder onderzoek en evt. verwijzing.
Hieronder een globaal overzicht van de verschillende technieken en de meest gebruikte mogelijkheden:

  1. Het meest eenvoudig is urineonderzoek( liefst bacteriologisch onderzoek); urine is het eindproduct van nieren en urinewegen en laat vaak al in een redelijk vroeg stadium afwijkingen zien. Spontane urine (bij voorkeur “midstream”) is niet altijd even handig op te vangen, vervelend voor de eigenaar, maar weinig ingrijpend voor de hond. Eventueel kan de dierenarts behulpzaam zijn door een katheterisatie of een blaaspunctie te verrichten. De resultaten geven een indruk over het concentrerend vermogen van de nieren, of er sprake is van een ontsteking en wat voor stoffen er verder in de urine worden uitgeschieden (bijvoorbeeld glucose, teveel eiwit, kristallen, afwijkende cellen, enzovoort).
  2. Bloedonderzoekis wat lastiger te verkrijgen maar kan weer meer vertellen over bijv. de filterfunctie en de regulatie van de mineraalhuishouding. Helaas is er wel een behoorlijke vermindering van de nierfunctie aanwezig voordat er afwijkingen zichtbaar worden in het bloed en kun je maar zelden zien aan de verkregen getallen wat de oorzaak is.
  3. Echografisch onderzoek van de buik, de vorm en structuur van de nieren kunnen beoordeeld worden. Niet alle dierenartsen hebben deze apparatuur in huis en moet de hond doorverwezen worden. Het doet geen pijn maar de meeste honden vinden het wel spannend om op hun rug te liggen en op hun buik geschoren te worden. (echobeeld kan verstoord worden door de vacht).
  4. Klaring; Als er geen duidelijkheid uit bovenstaande onderzoeken komt en er toch de verdenking blijft dat er een (beginnende) nierfunctiestoornis speelt, kan hiermee extra informatie verkregen worden. Er wordt een stof in de bloedbaan gespoten dat niets anders doet dan via de nieren het lichaam weer te verlaten. Door hiervan de bloedspiegel en/of de uitscheiding in de urine nauwkeurig te volgen kan de filterfunctie heel nauwkeurig beoordeeld worden zonder de hond of het nierweefsel nadelig te beïnvloeden.
  5. Nierbiopt; Als de nierziekte eenmaal vastgesteld is kan de precieze aard allen worden bepaald door weefselonderzoek. Materiaal hiervoor kan verkregen worden op verschillende manieren. In Utrecht doet men dit door met een naald, (vergelijkbaar met een “appelboortje” met een doorsnede van nog geen 2 mm) een klein beetje nierweefsel af te nemen onder algehele of lokale verdoving. Vooraf wordt gekeken of de hond aan alle voorwaarden voldoet en de risico’s moeten wel opwegen tegen de nadelen. Natuurlijk kan ook gebruik worden gemaakt van weefsel dat kort na de dood van een dier is verkregen, dan heeft de patiënt er zelf niet zoveel meer aan, maar kunnen de uitslagen van het onderzoek nog wel belangrijk zijn voor de volgende generatie. Het te verkrijgen resultaat van het microscopisch beeld van de aandoening kan dan zo typerend zijn dat er al gelijk een uitspraak gedaan kan worden over de oorzaak en evt. aangeboren en/of erfelijk zijn hiervan. Meestal moet er dan ook naar de dieren gekeken worden die aan dit dier verwant zijn.
  6. Of en hoe een aandoening word doorgegeven van ouderdier naar nakomeling kan alleen aan de hand van een gedegen stamboomonderzoekbepaald worden. Het centraal verzamelen, waar we het in het begin over hadden, van zoveel mogelijk informatie en het liefst een precieze diagnose daarbij is van essentieel belang. Hoe en op welke leeftijd uit zich de ziekte? Worden alle dieren uit een nest (even) ziek? Kunnen de ouderdieren gezond lijken terwijl ze de erfelijke informatie wel doorgegeven aan de volgende generatie? Komt de aandoening meer, of in gelijke mate, voor bij reuen of teven? Zijn er misschien meerdere factoren van belang in het ontstaan van de ziekte? Enzovoorts.

Met dank aan:
Astrid M. van Dongen (dierenarts, specialist interne geneeskunde/ nefrologie)
Departement Geneeskunde van Gezelschapsdieren
Yalelaan 8, 3584 CM, Utrecht

In overleg met uw dierenarts kunt u ook kiezen voor een verwijzing naar de polikliniek nefrologie. (beter geschikt voor evaluatie van een patiënt)
Afspraken kunt u hiervoor maken via de receptie op werkdagen van 08.00-16.30 uur
telefoonnummer 030 253 94 11.